Citaat | Parket bij de Hoge Raad 23 januari 2004
Alinea 43 Parket bij de Hoge Raad 23 januari 2004
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 23 januari 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AI0739.
4.2. Belanghebbendes subsidiaire stelling houdt, naar het Hof verstaat, in, dat het rendement behaald op het door de teruggeleende dividenduitkering ad ƒ 5.500.000,-- gefinancierde deel van belanghebbendes bezittingen voor de heffing van vennootschapsbelasting uit haar commerciële winst moet worden geëlimineerd. Deze stelling berust op de in 3.2 genoemde arresten. Deze arresten betreffen, voor zover te dezen van belang, de redelijke heffing van inkomstenbelasting over inkomsten die gegenereerd zijn met geleend vermogen, waarbij de renteaftrek ter zake van dat vermogen op grond van het leerstuk van de 'richtige heffing' is uitgesloten. De Hoge Raad oordeelde in BNB 1982/245 dat "overigens een redelijke toepassing van artikel 31 (van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, Hof) meebrengt dat de omstandigheid dat bij de heffing van belasting van belanghebbende geen rekening wordt gehouden met de door belanghebbende gesloten overeenkomst van geldlening, tevens zal beletten rekening te houden met inkomensbestanddelen die zijn terug te voeren op de overeenkomst van geldlening;" (cursivering Hof).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c5b3036682a30f88b817730a9f93a28bd825252c3fa6d88bc3a43f27812c403d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c5b3036682a30f88b817730a9f93a28bd825252c3fa6d88bc3a43f27812c403d, en de alinea staat in dat document op bytes 15417 tot 16542.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/c5b3036682a30f88b817730a9f93a28bd825252c3fa6d88bc3a43f27812c403d | shasum -a 256