Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 februari 2004
Alinea 51 Parket bij de Hoge Raad 6 februari 2004
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 februari 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AL7065.
Betekent dit dat art. 18 EEX-Verdrag nimmer de bevoegdheid van de kortgedingrechter kan vestigen? Of is de vraag of deze bevoegdheidsregel in kort geding kan worden toegepast afhankelijk van de aard en strekking van de gevraagde voorziening? Zo ja, welke in kort geding gevraagde voorzieningen vallen dan binnen de reikwijdte van art. 18 en welke daarbuiten? Het Mietz/Intership-arrest geeft op deze vragen geen antwoord. Van een "acte clair" of een "acte éclairé" kan niet worden gesproken. Zie ook de NJ-noot van P. Vlas onder Mietz/Intership en zie voorts X.E. Kramer, Het kort geding in internationaal perspectief, diss. 2001. blz. 143-145. Het stellen van prejudiciële vragen over deze kwestie van uitleg van art. 18 in verband met art. 24 EEX-Verdrag aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen kan echter achterwege blijven, indien aangenomen kan worden dat de President reeds op grond van art. 24 EEX-Verdrag bevoegd is om kennis te nemen van de vordering van [eiseressen].
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bce0c621d08aa0b9a4bf10de76cc5e8005fccecc2cdba8f40dc3885d39ebb971. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bce0c621d08aa0b9a4bf10de76cc5e8005fccecc2cdba8f40dc3885d39ebb971, en de alinea staat in dat document op bytes 23057 tot 24066.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/bce0c621d08aa0b9a4bf10de76cc5e8005fccecc2cdba8f40dc3885d39ebb971 | shasum -a 256