Citaat | Parket bij de Hoge Raad 16 januari 2004

Alinea 116 Parket bij de Hoge Raad 16 januari 2004

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 16 januari 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AM2341.

2.36 Vervolgens heeft het hof in rechtsoverweging 7 geoordeeld dat [eiser] in ieder geval binnen 14 dagen na 1 november 1998, de laatste dag van de executieperiode, het verzet had behoren in te stellen. Daarmee heeft het hof geoordeeld dat een redelijke wetstoepassing in de gegeven omstandigheden meebrengt dat de verzettermijn van veertien dagen ingaat op de laatste dag van deze periode en aldus toepassing gegeven aan hetgeen de Hoge Raad in het arrest NJ 2000, 509 heeft beslist ten aanzien van de aanvullende rechtsbescherming die onder bijzondere omstandigheden op de voet van art. 6 EVRM aan de niet-verschenen gedaagde toekomt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c4de43aba73c9521acb6ebf012a201d632466c76014816b28e5435f01b169fd7. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c4de43aba73c9521acb6ebf012a201d632466c76014816b28e5435f01b169fd7, en de alinea staat in dat document op bytes 34657 tot 35307.