Citaat | Parket bij de Hoge Raad 18 juni 2004

Alinea 72 Parket bij de Hoge Raad 18 juni 2004

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 18 juni 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AN8721.

4.5.3. Opgemerkt moet worden dat de aanhef van artikel 28quater, A, Zesde richtlijn (zie voor de tekst van de richtlijnbepaling onderdeel 5.1 hierna) bepaalt dat de lidstaten onder de voorwaarden die zij vaststellen om een juiste en eenvoudige toepassing van de hierna genoemde vrijstellingen te verzekeren en alle fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen, vrijstelling verlenen voor intracommunautaire leveringen. Aldus behouden de lidstaten een grote vrijheid van handelen inzake de toepassing van de vrijstelling met recht op vooraftrek teneinde belastingfraude te voorkomen. Daaruit volgt dat wanneer de daartoe genomen maatregelen niet excessief zijn, zij ook verenigbaar zijn met het beginsel van het vrije verkeer van goederen.(36) Het komt mij voor dat de aanwezigheid van een juist BTW-identificatienummer als constitutieve voorwaarde voor toepassing van het nultarief geen maatregel inhoudt welke onverenigbaar zou moeten worden geacht met het primaire EG-recht. Nu bij de achtste richtlijn is voorzien in een regeling voor de teruggaaf van de BTW aan niet in het binnenland gevestigde belastingplichtigen, kan naar ik meen voorts niet worden gezegd dat een dergelijke maatregel leidt tot dubbele belastingheffing.(37)

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/196acbe015392a6c2f0b54c13ceef5e34310f44f4e6b3b711bf4d74becce95d0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 196acbe015392a6c2f0b54c13ceef5e34310f44f4e6b3b711bf4d74becce95d0, en de alinea staat in dat document op bytes 31613 tot 32858.