Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 maart 2004
Alinea 37 Parket bij de Hoge Raad 30 maart 2004
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 maart 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AO3545.
14. Anders dan de steller van het middel meen ik niet dat de mate waarin de redelijke termijn voor berechting in de cassatiefase wordt overschreden, gevoegd bij de overschrijding van deze termijn bij de behandeling in hoger beroep, het uitzonderlijke geval oplevert waarin met strafvermindering niet meer kan worden volstaan. De duur van de behandeling in hoger beroep kan, naar mij voorkomt, bij de beoordeling van dit middel worden betrokken, maar daarbij dient in aanmerking genomen dat het tijdsverloop tussen 2 mei 2000 en 17 september 2001 (de dag waarop de bestreden uitspraak is gewezen) is veroorzaakt door verzoeken die de raadsman deed omdat hij meende meer tijd nodig te hebben voor het bestuderen van stukken, zich op het standpunt stelde dat nog een getuige gehoord moest worden en verdere stukken moesten worden bijgevoegd, en in verband met de psychische gesteldheid van verzoeker.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/eae375c44b1b0afd79c033dccf4bd67145043fa37e0da43b571a78845b56d297. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt eae375c44b1b0afd79c033dccf4bd67145043fa37e0da43b571a78845b56d297, en de alinea staat in dat document op bytes 16783 tot 17693.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/eae375c44b1b0afd79c033dccf4bd67145043fa37e0da43b571a78845b56d297 | shasum -a 256