Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 maart 2004

Alinea 67 Parket bij de Hoge Raad 30 maart 2004

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 maart 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AO3545.

31. Kennelijk vormden de tegen [betrokkene 1] en [medeverdachte 1] ingestelde gerechtelijke vooronderzoeken een toereikende basis om het opsporingsonderzoek in de gewenste richting te kunnen voortzetten. Met het oog daarop, en gelet op de omstandigheid dat een officier van justitie in beginsel niet gehouden is om iedere, in het opsporingsonderzoek geïdentificeerde, verdachte als zodanig te laten aanwijzen in een gerechtelijk vooronderzoek, had de raadsman nader moeten uiteenzetten welke belangen van verzoeker ertoe hadden moeten nopen hem in een gerechtelijk vooronderzoek als verdachte te benoemen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/eae375c44b1b0afd79c033dccf4bd67145043fa37e0da43b571a78845b56d297. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt eae375c44b1b0afd79c033dccf4bd67145043fa37e0da43b571a78845b56d297, en de alinea staat in dat document op bytes 31886 tot 32505.