Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 maart 2004
Alinea 70 Parket bij de Hoge Raad 30 maart 2004
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 maart 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AO3545.
33. Al met al meen ik dat het Hof ten aanzien van één punt in het ontvankelijkheidsverweer een beslissing had moeten geven. Dat is de stelling dat het observeren van verzoeker een zodanige inbreuk op diens persoonlijke levenssfeer heeft veroorzaakt - zonder dat daarvoor (medio 1997, toen in de wetgeving nog geen bepaling als het huidige art. 126g Sv was opgenomen) een wettelijke grondslag voorhanden was - dat die inbreuk tot het niet-ontvankelijk verklaren van het Openbaar Ministerie moet bijdragen. Die stelling kon het Hof naar mijn inzicht evenwel slechts verwerpen. Observaties die in een tijdsbestek van nog geen vier maanden bij elf gelegenheden zijn gedaan kunnen in redelijkheid niet worden aangemerkt als een zó aanzienlijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer dat doelbewust of met grove verwaarlozing van diens belangen tekort is gedaan aan verzoekers recht op een eerlijke procedure, en kunnen evenmin worden beschouwd als een ernstige inbreuk op de normen die tot de zwaarwegende grondslagen van een behoorlijke procesvoering behoren.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/eae375c44b1b0afd79c033dccf4bd67145043fa37e0da43b571a78845b56d297. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt eae375c44b1b0afd79c033dccf4bd67145043fa37e0da43b571a78845b56d297, en de alinea staat in dat document op bytes 33630 tot 34701.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/eae375c44b1b0afd79c033dccf4bd67145043fa37e0da43b571a78845b56d297 | shasum -a 256