Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 maart 2004
Alinea 74 Parket bij de Hoge Raad 30 maart 2004
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 maart 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AO3545.
37. Zoals hierboven werd opgemerkt stond het de officier van justitie in beginsel vrij om de door hem noodzakelijk geachte huiszoekingen te doen verrichten in het kader van het tegen [medeverdachte 2] ingestelde gerechtelijk vooronderzoek. Waarom verzoeker daardoor de processuele waarborgen van een gerechtelijk vooronderzoek zijn onthouden valt niet in te zien. Ook naar aanleiding van de vordering die krachtens art. 111 (OUD) Sv werd gedaan in het tegen [medeverdachte 2] ingestelde gerechtelijk vooronderzoek diende de Rechtbank immers te beoordelen of verzoekers woning was aan te merken als een plaats waar vermoedelijk voor inbeslagneming vatbare voorwerpen aanwezig waren, en ook overigens een stelselmatig en gericht onderzoek in die woning geboden leek te zijn. Van een beperktere rechterlijke toets dan in geval de huiszoeking zou zijn gevorderd in een tegen verzoeker ingesteld gerechtelijk vooronderzoek is derhalve geen sprake.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/eae375c44b1b0afd79c033dccf4bd67145043fa37e0da43b571a78845b56d297. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt eae375c44b1b0afd79c033dccf4bd67145043fa37e0da43b571a78845b56d297, en de alinea staat in dat document op bytes 36296 tot 37251.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/eae375c44b1b0afd79c033dccf4bd67145043fa37e0da43b571a78845b56d297 | shasum -a 256