Citaat | Parket bij de Hoge Raad 18 mei 2004

Alinea 43 Parket bij de Hoge Raad 18 mei 2004

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 18 mei 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AO5050.

3.7 In beide vonnissen inzake [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] heeft de rechtbank in een bewijsoverweging de verdachte met zoveel woorden genoemd als iemand die deel uitmaakte van een criminele organisatie (welke organisatie zich bezig hield met onder meer de in- en uitvoer van hard drugs) en zijn aandeel gespecificeerd als het zijn van één van de vertrouwelingen van één van de centrale leden van de organisatie, welk lid gebruik maakte van de faciliteiten en/of diensten die deze vertrouwelingen konden bieden; in het vonnis inzake [medeverdachte 5] komt daar nog bij dat de verdachte in het bijzonder één van degenen was die het uitvoerend werk ter zake van de uitvoer van amfetamine verrichtten. Het standpunt van de raadsman is blijkbaar dat de verdachte hierin aanleiding heeft gevonden om te vrezen dat de rechtbank die zijn zaak behandelde, nu daarvan twee rechters deel uitmaakten die de vonnissen inzake [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] mee hadden gewezen, niet voldoende onbevangen was. Dat is echter niet doorslaggevend. Beslissend is, zoals onder 3.3 uiteengezet, of die vrees geacht kan worden objectief te zijn gerechtvaardigd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/854c19e006bf695b21d8dd2666acafadf885713bd7291ab83310c3f66283595e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 854c19e006bf695b21d8dd2666acafadf885713bd7291ab83310c3f66283595e, en de alinea staat in dat document op bytes 16821 tot 17996.