Citaat | Parket bij de Hoge Raad 18 mei 2004

Alinea 45 Parket bij de Hoge Raad 18 mei 2004

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 18 mei 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AO5050.

3.9 Bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren om te oordelen dat een bij de verdachte bestaande vrees als onder 3.3 bedoeld objectief gerechtvaardigd is, zijn niet gelegen in de door de raadsman aangevoerde en in de anderszins aannemelijk geworden omstandigheden. Het oordeel aangaande de verdachte dat in de eerdere vonnissen is verwoord, is niet dermate specifiek en/of op zodanige wijze gemotiveerd, dat anders moet worden geoordeeld. (EHRM NJ 1998, 185, r.o. 59) In het bijzonder is niet betoogd, en ziet het hof ook niet, dat de rechtbank bij de beoordeling van de zaken van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] enig gemotiveerd, in het bijzonder de verdachte betreffend oordeel heeft gegeven waarin een bewering van de verdachte (van de strekking dat een door hem eerder, bijv. tegenover opsporingsambtenaren, afgelegde, bekennende verklaring omtrent zijn betrokkenheid bij de tenlastegelegde feiten, onjuist was) - die de verdachte in zijn eigen zaak wenste te handhaven - reeds werd verworpen. (HR NJ 1998, 187, r.o. 5.4)

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/854c19e006bf695b21d8dd2666acafadf885713bd7291ab83310c3f66283595e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 854c19e006bf695b21d8dd2666acafadf885713bd7291ab83310c3f66283595e, en de alinea staat in dat document op bytes 18965 tot 20035.