Citaat | Parket bij de Hoge Raad 17 augustus 2004

Alinea 47 Parket bij de Hoge Raad 17 augustus 2004

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 17 augustus 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AP0169.

11. Het Hof heeft vastgesteld dat de politie op basis van het proces-verbaal van de RCID Utrecht, gedateerd 22 december 1999, in onderling verband en samenhang bezien met de op 12 september 1999 ten overstaan van de politie Utrecht gedane uitlatingen van de zoon van verdachte, de verkregen informatie aldus kon en mocht interpreteren dat op het adres [a-straat 1]A te [plaats B] wapens verborgen zouden zijn en - gelet op het beperkte tijdsverloop en het ontbreken van aanwijzingen van het tegendeel - op 17 januari 2000 nog steeds aanwezig zouden zijn, en aldus sprake was van een redelijk vermoeden in de zin van art. 49 (oud) Wet wapens en munitie. Dit oordeel is van feitelijke aard en tegen de achtergrond van de stukken van het geding niet onbegrijpelijk en kan verder in cassatie niet worden getoetst.(1)

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2bf48bd596a36017166a174da09a8d0f559c98e36d4cb8339adc8edd01bb4707. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2bf48bd596a36017166a174da09a8d0f559c98e36d4cb8339adc8edd01bb4707, en de alinea staat in dat document op bytes 13612 tot 14437.