Citaat | Parket bij de Hoge Raad 28 mei 2004
Alinea 26 Parket bij de Hoge Raad 28 mei 2004
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 28 mei 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AP0263.
2.1. Het middel klaagt dat het hof met zijn (hiervoor samengevatte en deels geciteerde) redengeving blijk geeft van een onjuiste opvatting van de taak van de rechter in kort geding. De omstandigheid dat in een bodemprocedure van bepaalde stellingen nog bewijs zal moeten worden bijgebracht door de partij op wie de bewijslast rust levert als zodanig onvoldoende grond op om vooralsnog uit te gaan van de onjuistheid van die stellingen. Volgens het middel had het hof aan de hand van de beschikbare informatie een voorlopig oordeel moeten geven over de waarschijnlijkheid van de wederzijdse lezingen van de feiten en bij twijfel hieromtrent behoren af te zien van het toewijzen van de loonvordering in kort geding. Subsidiair voegt het middel aan deze rechtsklacht een motiveringsklacht toe.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dba2f879cba515ffe7ac6ee5fcfa3adf6d4a53c8d76f85b5e3a3ee23b88dd9f7. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dba2f879cba515ffe7ac6ee5fcfa3adf6d4a53c8d76f85b5e3a3ee23b88dd9f7, en de alinea staat in dat document op bytes 10060 tot 10863.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/dba2f879cba515ffe7ac6ee5fcfa3adf6d4a53c8d76f85b5e3a3ee23b88dd9f7 | shasum -a 256