Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 oktober 2004

Alinea 157 Parket bij de Hoge Raad 8 oktober 2004

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 oktober 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AP0424.

13 G.J.J. Heerma van Voss en J.M. van Slooten, Kroniek van het sociaal recht, NJB 2004, p. 497-503, in het bijzonder p. 498, zien een tegenstelling tussen het oordeel van de Hoge Raad en de van regeringszijde bij de totstandkoming van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs tot uitdrukking gebrachte opvatting dat men zich ter bestrijding van een niet uitdrukkelijk bij de wet verboden discriminatie rechtstreeks op de doorwerking van in de Grondwet en internationale verdragen (art. 26 IVBPR) vervatte grondrechten kan beroepen. Of de wetgever inderdaad meer ruimte laat voor doorwerking van grondrechten dan de Hoge Raad, betwijfel ik. In het arrest van 30 januari 2004 heeft de Hoge Raad immers voorop gesteld dat het betreffende onderscheid in beloning niet door de Grondwet of een rechtstreeks werkende verdragsbepaling wordt verboden. In die situatie kan de private doorwerking van een (in de Grondwet of een rechtstreeks werkende verdragsbepaling verankerd) grondrecht uiteraard niet aan de orde zijn.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f409964ffeac3c6b5b2f14f298854a6a43d213da8041ddc543551e24d2096e58. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f409964ffeac3c6b5b2f14f298854a6a43d213da8041ddc543551e24d2096e58, en de alinea staat in dat document op bytes 96420 tot 97454.