Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 oktober 2004

Alinea 39 Parket bij de Hoge Raad 8 oktober 2004

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 oktober 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AP0432.

2.15. De tweede pijler waarop het oordeel in rov. 14 berust, is de - op zichzelf niet onbegrijpelijke - constatering dat Ansul blijkens haar brief van 19 januari 1994 aan Ajax bekend was met het gebruik dat Ajax van het teken MINIMAX maakte. In middelonderdeel II b wordt terecht aangevoerd dat het hof hiermee niet had mogen volstaan. Voor aanvaarding van de nietigheid van een depot op grond van art. 14 B, aanhef en onder 2 (oud), juncto art. 4, onder 6 onder a (oud) BMW, is nodig dat de voorgebruiker een overeenstemmend merk voor soortgelijke waren (of diensten) te goeder trouw en op normale wijze heeft gebruikt. Uit rov. 14 blijkt weliswaar dat het hof van mening is dat aan die eis is voldaan, maar niet waarop het hof dit oordeel baseert niettegenstaande het verweer dat Ansul op dit punt had gevoerd. Om deze reden is de klacht van onderdeel II b gegrond(7). De overige klachten van onderdeel II en de onderdelen III en IV kunnen om deze reden onbehandeld blijven(8).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0be285d89ea8629e66b0c48203a68ab86505cdf9928cc76fb49acee86788d7b9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0be285d89ea8629e66b0c48203a68ab86505cdf9928cc76fb49acee86788d7b9, en de alinea staat in dat document op bytes 20245 tot 21238.