Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 oktober 2004
Alinea 57 Parket bij de Hoge Raad 8 oktober 2004
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 oktober 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AP1083.
18) In mijn conclusie voor het arrest van 20 februari 2004 heb ik tot uitgangspunt genomen (onder 8) dat de bewijslast met betrekking tot het feit dat de overeenkomst normaal zou zijn uitgevoerd, volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv op de eiser (de derde) rust, omdat dit feit het condicio sine qua non - verband tussen het optreden zonder (toereikende) volmacht en de schade betreft. Vervolgens heb ik in genoemde conclusie bepleit een als regel geldend vermoeden aan te nemen dat de overeenkomst door de pseudo-volmachtgever normaal zou zijn nagekomen, omdat dit aansluit bij de op de normale loop der dingen gebaseerde veronderstelling dat de overeenkomst, indien tot stand gekomen, gewoon zou zijn uitgevoerd.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0ef7121247386fa9fb58a3dc4af11d6a4d4eec33d9695317ae08487315809d1d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0ef7121247386fa9fb58a3dc4af11d6a4d4eec33d9695317ae08487315809d1d, en de alinea staat in dat document op bytes 22279 tot 23010.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/0ef7121247386fa9fb58a3dc4af11d6a4d4eec33d9695317ae08487315809d1d | shasum -a 256