Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 oktober 2004

Alinea 65 Parket bij de Hoge Raad 8 oktober 2004

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 oktober 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AP1083.

De Hoge Raad baseert zijn beslissing op het feit dat art. 3:70 veronderstelt dat de overeenkomst, indien zij met een toereikende volmacht zou zijn totstandgekomen, door de pseudo-principaal en de derde over en weer naar behoren zou zijn nagekomen, zoals in het maatschappelijk verkeer ook gebruikelijk is. Ik zou menen dat de regel van art. 3:70 berust op de eis van het handelsverkeer dat iemand die een kwaliteit opgeeft deze bezit (evenzo Parl. Gesch. Boek 3, p. 283) en dat de derde er recht op heeft dat er in ieder geval iemand zal zijn die gehouden is tot nakoming van de gesloten overeenkomst. Voor overeenkomsten in het algemeen geldt dat zij normaal gesproken over en weer naar behoren worden nagekomen. Toch wordt daaruit niet afgeleid dat de bewijslast terzake van het (ontbreken van) condicio sine qua non-verband in de regel op de schuldenaar rust.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0ef7121247386fa9fb58a3dc4af11d6a4d4eec33d9695317ae08487315809d1d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0ef7121247386fa9fb58a3dc4af11d6a4d4eec33d9695317ae08487315809d1d, en de alinea staat in dat document op bytes 27522 tot 28398.