Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 oktober 2004

Alinea 68 Parket bij de Hoge Raad 8 oktober 2004

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 oktober 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AP1083.

Wat dit laatste betreft wijs ik nog op het volgende. Het is dikwijls toevallig of een bepaald voorbehoud als ontbindende of als opschortende voorwaarde wordt geformuleerd; dikwijls komt pas na uitleg van de overeenkomst vast te staan welke soort voorwaarde door partijen is bedoeld. Tegen deze achtergrond zou het mij niet juist lijken om bij de ontbindende voorwaarde de bewijslast altijd op de pseudo-gevolmachtigde en bij de opschortende voorwaarde de bewijslast altijd op de derde te leggen. Maar eerlijk gezegd weet ik niet wat uit het voormelde arrest voor de opschortende voorwaarde voortvloeit. Ik zou menen dat bij de overeenkomst onder opschortende voorwaarde de derde zal moeten bewijzen dat de voorwaarde in vervulling zou zijn gegaan; daardoor wordt immers de overeenkomst perfect en kan de derde aanspraak op het positief contractsbelang maken. Maar uit de door de Hoge Raad geformuleerde regel lijkt het tegendeel voort te vloeien, omdat ook bij een overeenkomst onder opschortende voorwaarde kan worden gezegd dat een 'overeenkomst van een bepaalde inhoud' tot stand is gekomen, zodat de derde aan zijn bewijslast heeft voldaan.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0ef7121247386fa9fb58a3dc4af11d6a4d4eec33d9695317ae08487315809d1d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0ef7121247386fa9fb58a3dc4af11d6a4d4eec33d9695317ae08487315809d1d, en de alinea staat in dat document op bytes 29807 tot 30965.