Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 oktober 2004
Alinea 70 Parket bij de Hoge Raad 8 oktober 2004
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 oktober 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AP1083.
22) Wat de klachten van subonderdeel 2.4 betreft merk ik ten overvloede nog het volgende op. In mijn opvatting (zie nrs. 18 en 20), waarin het aan de pseudo-gevolmachtigde is om tegenbewijs te leveren tegen een ten gunste van de derde werkend vermoeden, zou het voor [eiseres] voldoende zijn dat zij haar stelling dat [A] B.V. een beroep zou hebben gedaan op het financieringsvoorbehoud, (niet bewijst, maar) aannemelijk maakt. Ook indien de slotzin van r.o. 4.9 van 's hofs tussenarrest(10) aldus moet worden begrepen dat [eiseres] daarin niet is geslaagd, komt mij de motiveringsklacht van subonderdeel 2.4, waarin wordt betoogd dat 's hofs oordeel onbegrijpelijk is in het licht van een aantal in het subonderdeel genoemde passages in de gedingstukken, ongegrond voor.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0ef7121247386fa9fb58a3dc4af11d6a4d4eec33d9695317ae08487315809d1d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0ef7121247386fa9fb58a3dc4af11d6a4d4eec33d9695317ae08487315809d1d, en de alinea staat in dat document op bytes 31501 tot 32286.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/0ef7121247386fa9fb58a3dc4af11d6a4d4eec33d9695317ae08487315809d1d | shasum -a 256