Citaat | Parket bij de Hoge Raad 11 juni 2004

Alinea 71 Parket bij de Hoge Raad 11 juni 2004

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 11 juni 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AP1349.

2.16 Uit het vorenstaande blijkt dat tussen partijen niet vast stond of [verweerder] al dan niet aan [eiser] toestemming had gegeven voor onderverhuur van de vrachtwagencombinatie. Het onderwerp is door [eiser] naar voren gebracht door bij antwoord in het kader van zijn verweer te stellen dat [verweerder] op de hoogte was van de onderverhuur. [verweerder] heeft vervolgens volstaan met een betwisting van de stelling van [eiser]. Het hof had derhalve hetzij moeten beoordelen of bewijs van deze stelling reeds aanwezig was in de processtukken hetzij bewijs moeten opdragen van de stelling dat [verweerder] geen toestemming heeft gegeven voor verhuur. In ieder geval heeft het hof hier ten onrechte een rechtsfeit vastgesteld(17).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/997b8817eb935d5219fbcb01d2cd8b29a6a1b8c832822bcee6ea2aa423bcb9a7. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 997b8817eb935d5219fbcb01d2cd8b29a6a1b8c832822bcee6ea2aa423bcb9a7, en de alinea staat in dat document op bytes 25998 tot 26742.