Citaat | Parket bij de Hoge Raad 18 juni 2004

Alinea 33 Parket bij de Hoge Raad 18 juni 2004

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 18 juni 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AP1873.

10) Het zojuist gezegde impliceert dat ik art. 34 Rv.(9), dat (in lid 1 sub b) de "aanlegger" verplicht om de stukken aan de door hem geadieerde rechter over te leggen, niet zo uitleg dat op verzuim van dit voorschrift noodzakelijkerwijs niet-ontvankelijkheid (of een andere sanctie, bijvoorbeeld: buiten beschouwing laten van de stukken ten aanzien waarvan het verzuim gepleegd is) zou staan. De Parlementaire Geschiedenis van de bepaling(10) geeft, evenals de bepaling zelf, niet aan of daarmee een bepaalde sanctie beoogd is; en onder vigeur van (min of meer) vergelijkbare bepalingen van "oud" procesrecht werd niet aangenomen dat niet-naleving daarvan niet-ontvankelijkheid meebracht(11). Dan zou het ongerijmd zijn om de nieuwe regel als "strenger" uit te leggen dan het "oude" recht werd uitgelegd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bb44d8e7f3828c8290de59f8b548edb6bc173e1f7c0114b91af396f71b502fcb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bb44d8e7f3828c8290de59f8b548edb6bc173e1f7c0114b91af396f71b502fcb, en de alinea staat in dat document op bytes 11706 tot 12524.