Citaat | Parket bij de Hoge Raad 18 juni 2004

Alinea 48 Parket bij de Hoge Raad 18 juni 2004

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 18 juni 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AP1873.

20) De zojuist tot uitgangspunt genomen beperkingen van het feitelijke onderzoek in de (summiere) procesgang van art. 7:685 BW sporen intussen niet volledig - of beter: sporen slecht - met de inmiddels in de rechtspraak gevestigde opvatting, dat bij de beslissing over de ontbinding en de daaraan te verbinden voorwaarden "het resultaat van de rechterlijke toetsing aan de eisen van redelijkheid en billijkheid (of aan hetgeen een goed werkgever behoort te doen en na te laten) in beginsel ten volle, onder meeweging van alle voor zijn oordeel relevante factoren, tot uitdrukking behoort te komen in de hoogte van de vergoeding die de rechter op de voet van art. 7:685 BW met het oog op de omstandigheden van het geval naar billijkheid aan een der partijen ten laste van de andere partij toekent, zodat daarnaast voor zodanige toetsing geen plaats is." (23). Die opvatting brengt immers mee dat beoordeling van andere vorderingen of verzoeken met betrekking tot vragen die verband houden met de modaliteiten die (ook) met de beëindiging van de dienstbetrekking gepaard (kunnen) gaan, aan aanmerkelijke beperkingen onderhevig is.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bb44d8e7f3828c8290de59f8b548edb6bc173e1f7c0114b91af396f71b502fcb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bb44d8e7f3828c8290de59f8b548edb6bc173e1f7c0114b91af396f71b502fcb, en de alinea staat in dat document op bytes 20155 tot 21297.