Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 september 2004

Alinea 25 Parket bij de Hoge Raad 14 september 2004

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 september 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AP4134.

11. Met dit arrest heeft de Hoge Raad in feite uitdrukking gegeven aan het verschil in de wijze waarop de positie van de verdachte en de raadsman sinds de inwerkingtreding van het huidige Wetboek van Strafvordering zijn geregeld. Sinds 1838 werd in het Wetboek van Strafvordering bepaald dat verdachte en zijn raadsman het recht hadden om het laatst te spreken(2). Daar werd met het huidige Wetboek verandering in gebracht in die zin, dat verdachte het recht werd gelaten het laatst te spreken en dat de raadsman de bevoegdheid daartoe ontleende aan art. 331 Sv. Hoewel de wetgever hiermee geen wijziging van de destijds bestaande regeling beoogde(3), is de positie van de raadsman ten opzichte van het recht op het laatste woord een andere geworden dan die van de verdachte: de wet bepaalt thans dat verdachte het recht heeft als laatste het woord te voeren en dat de raadsman daartoe de bevoegdheid heeft. De Hullu drukt het in zijn noot bij laatstgenoemd arrest als volgt uit:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/620ea47061c646de5ac8dc70fcec25b7bfba605f9cad234a9418667a57684ce6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 620ea47061c646de5ac8dc70fcec25b7bfba605f9cad234a9418667a57684ce6, en de alinea staat in dat document op bytes 8496 tot 9488.