Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 september 2004

Alinea 30 Parket bij de Hoge Raad 14 september 2004

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 september 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AP4134.

15. Bij nader inzien ben ik daar op teruggekomen. Het is immers wel een hele stap ervan uit te gaan dat een voorschrift aan de schending waarvan de wet ook thans - na de Wet vormverzuimen(4) - nog uitdrukkelijk nietigheid verbindt, is nageleefd hoewel daarvan niet blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting. Voor mij is verder niet zonder betekenis dat ook in de samenhangende zaak 2117/03 in de strafmotivering (ook) een vergissing lijkt te zijn geslopen (zie daarvoor de bespreking van het vierde middel in die zaak). Het zwaarst weegt voor mij dat er geen onzekerheid mag bestaan over de vraag of verdachte gelegenheid heeft gekregen voor het laatste woord. Die gelegenheid moet hij ook hebben als hij niet van plan was nog iets op te merken. Wordt verdachte de gelegenheid gegeven voor het laatste woord, dan wordt daarmee gemarkeerd dat het onderzoek - behoudens verdachtes laatste woord - is voltooid. Door de nadruk die op dit moment ligt valt niet uit te sluiten dat juist daardoor verdachte nog iets te binnen schiet dat hij de rechter wil doen weten. Daarom is van belang dat hij voor het laatste woord duidelijk en ondubbelzinnig de gelegenheid krijgt en valt niet uit te sluiten dat hij dus achteraf niet kan zeggen of hij van die gelegenheid gebruik had willen maken en waartoe. Het door mij hiervoor uitsproken vermoeden dat verdachte die gelegenheid wel heeft gehad staat met het voorgaande op te gespannen voet.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/620ea47061c646de5ac8dc70fcec25b7bfba605f9cad234a9418667a57684ce6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 620ea47061c646de5ac8dc70fcec25b7bfba605f9cad234a9418667a57684ce6, en de alinea staat in dat document op bytes 12530 tot 13980.