Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 juli 2004

Alinea 69 Parket bij de Hoge Raad 9 juli 2004

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 juli 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AP4394.

3.20 Onderdeel 3.7 stelt m.i. wederom de vraag aan orde van het vereiste van een al dan niet uitdrukkelijke aanwijzing van een vertegenwoordiger. Ik verwijs terug naar de behandeling van middelonderdeel 3.6.. Nu het hof er m.i. terecht vanuit is gegaan dat [betrokkene 1] niet is aangewezen als bijzonder vertegenwoordiger van de Graphics, is Graphics niet gebonden aan de hoofdelijkheidsverklaring en de verpanding. Anders dan het middelonderddel veronderstelt, spelen vragen van nietigheid en vernietiging van rechtshandeling hier verder niet. Het middelonderdeel wordt tevergeefs voorgedragen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f50b3cf4b8c2a0695c4f25dfcdd1e1a146cd73e89755f62a594a6d625216c1e7. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f50b3cf4b8c2a0695c4f25dfcdd1e1a146cd73e89755f62a594a6d625216c1e7, en de alinea staat in dat document op bytes 44789 tot 45399.