Citaat | Parket bij de Hoge Raad 28 september 2004
Alinea 32 Parket bij de Hoge Raad 28 september 2004
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 28 september 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AP4455.
14. In casu heeft het Gerecht van Eerste Aanleg bij het bewijs van verdachtes opzet mede in aanmerking genomen dat de verdachte geen geoefend schutter is. Deze omstandigheid komt niet met zoveel woorden voor in enig in de bestreden uitspraak opgenomen bewijsmiddel. Evenmin is aangegeven aan welk wettig bewijsmiddel deze omstandigheid is ontleend. Niettemin kan genoemde omstandigheid wel uit de wettige bewijsmiddelen worden afgeleid. Verdachte heeft verklaard te hebben geschoten in de richting van het wegrennende slachtoffer, doch op de grond. Ondanks het schieten op de grond raakt hij het slachtoffer in een onderbeen. Dat wijst niet op het schieten door een geoefend schutter. Deze zou het slachtoffer niet geraakt hebben maar de grond. Bovendien is verdachte kennelijk zo ongeoefend dat hij veronderstelt op de grond te richten terwijl de getuige [betrokkene 1] ziet dat hij op het slachtoffer richt. Voor zover het middel klaagt dat het zijn van ongeoefend schutter niet uit de bewijsmiddelen blijkt, gaat het dus niet op.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/61deade0df2fd73a1cbfed300362421f957f99827176f2fb1216cc4582e8626f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 61deade0df2fd73a1cbfed300362421f957f99827176f2fb1216cc4582e8626f, en de alinea staat in dat document op bytes 14372 tot 15417.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/61deade0df2fd73a1cbfed300362421f957f99827176f2fb1216cc4582e8626f | shasum -a 256