Citaat | Parket bij de Hoge Raad 29 oktober 2004

Alinea 100 Parket bij de Hoge Raad 29 oktober 2004

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 29 oktober 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AP4504.

36. Ik vind daartoe temeer aanleiding, omdat de gedachtegang van het BGH ook miskent, dat er (wel degelijk) rechtmatige belangen van de derde-beslagene (in ons geval dus: de bank) gemoeid (kunnen) zijn met het respecteren van de beperking die in een betalingsopdracht besloten ligt. Om voor de hand liggende redenen zal een bank in het algemeen niet willen meewerken aan betalingen (aan de beslaglegger) die haar cliënt kennelijk niet als wenselijk beoordeelt, en zal die bank meestal wèl willen meewerken aan betalingen die in het klaarblijkelijke belang van de onderneming van de cliënt zijn - betalingen aan noodzakelijke leveranciers dringen zich als voorbeeld op. Bij het voorspoedig verloop van betalingen van het tweede soort heeft de financier van een bedrijf - de bank - ook een zelfstandig belang. Mij lijkt dat een belang dat op zichzelf als legitiem valt aan te merken. Ook daarom - dus: omdat daarbij legitieme belangen van de derde-beslagene (kunnen) worden benadeeld - lijkt mij de onderscheiding die het BGH heeft aangebracht (tussen de "afroep" van het krediet enerzijds, en de met een afroep "organisch" verbonden "beperking" in de vorm van de opdracht tot uitbetaling aan een (andere) derde anderzijds), niet te verantwoorden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d2a3c41861e830c339997d4fb7d408cfcdb9f8c165cfbaf84dc2bb6ba6f4d74e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d2a3c41861e830c339997d4fb7d408cfcdb9f8c165cfbaf84dc2bb6ba6f4d74e, en de alinea staat in dat document op bytes 54223 tot 55484.