Citaat | Parket bij de Hoge Raad 29 oktober 2004
Alinea 109 Parket bij de Hoge Raad 29 oktober 2004
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 29 oktober 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AP4504.
41. Deze gedachtegang leidt ertoe, het recht dat ontstaat nadat de cliënt van een bank een betalingsopdracht ten laste van "zijn" krediet heeft gegeven, te rangschikken onder de naar hun aard niet voor beslag vatbare rechten als bedoeld in art. 475a Rv. Te gelde maken van dit recht (dus: het recht om van de bank uitvoering van de betalingsopdracht te verlangen, zie alinea's 32 - 37 hiervóór) laat zich immers niet wel denken (zelfs "verzilvering" door een faillissementscurator is nauwelijks denkbaar; en openbare verkoop is uitgesloten).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d2a3c41861e830c339997d4fb7d408cfcdb9f8c165cfbaf84dc2bb6ba6f4d74e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d2a3c41861e830c339997d4fb7d408cfcdb9f8c165cfbaf84dc2bb6ba6f4d74e, en de alinea staat in dat document op bytes 60968 tot 61525.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/d2a3c41861e830c339997d4fb7d408cfcdb9f8c165cfbaf84dc2bb6ba6f4d74e | shasum -a 256