Citaat | Parket bij de Hoge Raad 29 oktober 2004

Alinea 125 Parket bij de Hoge Raad 29 oktober 2004

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 29 oktober 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AP4504.

48. In HR 26 maart 1982, NJ 1982, 615 m.nt. WMK, rov. 1 en HR 25 maart 1988, NJ 1989, 200 m.nt. WMK, rov. 3.2, ging het telkens om de cessie-bij-voorbaat van rechten waarvan de totstandkoming mede afhing van daarna nog te geven besluiten/wilsverklaringen van de debiteur; terwijl de cedent vóór het plaatsgrijpen van de betreffende besluiten/verklaringen was gefailleerd. Uit de arresten blijkt dat (fiduciaire) cessie - dus de in die tijd gangbare vorm van zekerheidsoverdracht - van toekomstige vorderingen die in reeds bestaande rechtsverhoudingen hun onmiddelijke grondslag vinden mogelijk is; maar dat in verband met het feit dat faillissement de beschikking over zijn vermogen aan de gefailleerde onttrekt, de hier bedoelde vorderingen niet aan de cessionaris toevallen maar aan de gefailleerde boedel(49).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d2a3c41861e830c339997d4fb7d408cfcdb9f8c165cfbaf84dc2bb6ba6f4d74e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d2a3c41861e830c339997d4fb7d408cfcdb9f8c165cfbaf84dc2bb6ba6f4d74e, en de alinea staat in dat document op bytes 69045 tot 69872.