Citaat | Parket bij de Hoge Raad 29 oktober 2004

Alinea 127 Parket bij de Hoge Raad 29 oktober 2004

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 29 oktober 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AP4504.

In beide arresten wordt immers vastgesteld dat het hof had geoordeeld dat de te beoordelen vordering haar onmiddelijke grondslag vond in een reeds bestaande rechtsverhouding, en dat dat meebracht dat rechtsgeldige cessie van de vordering mogelijk was. Het feit dat voor het ontstaan van de vordering nog een nadere rechtshandeling nodig was, belette weliswaar dat de cessie tegen de curator in het intussen ingetreden faillissement werd ingeroepen, maar doet, naar beide arresten indiceren, niet af aan het feit dat de vordering mocht worden beschouwd als "zijn onmiddelijke grondslag vindend" in de anterieure rechtsverhouding, en als uit dien hoofde rechtsgeldig (fiduciair) gecedeerd(50).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d2a3c41861e830c339997d4fb7d408cfcdb9f8c165cfbaf84dc2bb6ba6f4d74e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d2a3c41861e830c339997d4fb7d408cfcdb9f8c165cfbaf84dc2bb6ba6f4d74e, en de alinea staat in dat document op bytes 70271 tot 70976.