Citaat | Parket bij de Hoge Raad 29 oktober 2004
Alinea 192 Parket bij de Hoge Raad 29 oktober 2004
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 29 oktober 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AP4504.
31 Ik heb mij afgevraagd hoe - bij aanvaarding van de opvatting van ABN-AmRo c.s. - zou kunnen worden voldaan aan het vereiste van art. 475a, derde lid Rv. Het ligt immers in de rede om de vorderingen die in het hier onderzochte geval ontstaan, aan te merken als vorderingen die recht geven op iets anders dan betaling van een geldsom. Nu bij het leggen van beslag onmogelijk met enige precisie kan worden aangegeven welke vorderingen van het hier bedoelde soort te verwachten zijn, kan niet veel meer dan lippendienst aan de strekking van deze wetsbepaling worden bewezen. Nu de middelen deze vraag niet aan de orde stellen, laat ik het maar bij het opwerpen daarvan.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d2a3c41861e830c339997d4fb7d408cfcdb9f8c165cfbaf84dc2bb6ba6f4d74e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d2a3c41861e830c339997d4fb7d408cfcdb9f8c165cfbaf84dc2bb6ba6f4d74e, en de alinea staat in dat document op bytes 95077 tot 95759.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/d2a3c41861e830c339997d4fb7d408cfcdb9f8c165cfbaf84dc2bb6ba6f4d74e | shasum -a 256