Citaat | Parket bij de Hoge Raad 29 oktober 2004
Alinea 26 Parket bij de Hoge Raad 29 oktober 2004
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 29 oktober 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AP4504.
4.2.3. De bereidheid van een bank om de rekeninghouder toe te staan kasgeldopnames te doen, doet pas een vordering van de rekeninghouder zelf ontstaan op het moment dat de rekeninghouder de wens te kennen geeft die kasopname te willen doen. Men kan zich reeds afvragen of de bank gehouden is ieder verzoek om een verrassend of ongebruikelijk hoge kasbetaling te honoreren. Wat daar van zij: eerst op het moment dat de rekeninghouder aanspraak maakt op uitbetaling van een kasopname onder het krediet èn pas nadat de bank geen bijzondere omstandigheden ziet om die opname te weigeren of in nadere overweging te nemen, ontstaat een geldvordering van de rekeninghouder die theoretisch vatbaar is voor beslag. Dat die vordering in de praktijk veelal aan het loket ontstaat en terstond door uitbetaling teniet gaat, maakt beslaglegging daarop in de praktijk redelijkerwijs onmogelijk, maar doet aan dit beginsel niet af.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d2a3c41861e830c339997d4fb7d408cfcdb9f8c165cfbaf84dc2bb6ba6f4d74e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d2a3c41861e830c339997d4fb7d408cfcdb9f8c165cfbaf84dc2bb6ba6f4d74e, en de alinea staat in dat document op bytes 10920 tot 11849.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/d2a3c41861e830c339997d4fb7d408cfcdb9f8c165cfbaf84dc2bb6ba6f4d74e | shasum -a 256