Citaat | Parket bij de Hoge Raad 29 oktober 2004

Alinea 59 Parket bij de Hoge Raad 29 oktober 2004

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 29 oktober 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AP4504.

8. Praktisch is het intussen zo, dat het vermogen van een debiteur niet altijd van dien aard is, dat een verplichting daar rechtstreeks op kan worden geëxecuteerd. Bij wie zich heeft verplicht tot levering van een bepaalde zaak is, als de betrokkene die zaak niet in zijn vermogen heeft, reële executie niet praktisch mogelijk. Omdat die praktische onmogelijkheid zich inderdaad vaak voordoet, vindt effectuëring van rechten tegen de nalatige debiteur ook plaats langs een omweg: de vordering van de crediteur (voorzover die geen geldvordering was) wordt "omgerekend" tot een geldvordering, en voor de geldvordering wordt verhaal gezocht in de vorm van het te gelde maken van vermogensbestanddelen van de debiteur(8). In de lijn van het eerder besproken uitgangspunt ligt dan voor de hand dat alle goederen van de debiteur die te gelde gemaakt kunnen worden, daarvoor mogen worden aangesproken.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d2a3c41861e830c339997d4fb7d408cfcdb9f8c165cfbaf84dc2bb6ba6f4d74e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d2a3c41861e830c339997d4fb7d408cfcdb9f8c165cfbaf84dc2bb6ba6f4d74e, en de alinea staat in dat document op bytes 26436 tot 27346.