Citaat | Parket bij de Hoge Raad 29 oktober 2004

Alinea 94 Parket bij de Hoge Raad 29 oktober 2004

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 29 oktober 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AP4504.

32. Daarbij moet dan onder ogen worden gezien, wat precies het door de uitoefening van het "afroeprecht" ontstane (vermogens)recht is, dat crediteuren als verhaalsobject mogen aanmerken. Daarbij hebben partijen vooral gediscussieerd over het geval dat de "afroep" in de vorm van een betalingsopdracht aan een derde plaatsvindt (wat, denk ik, in de praktijk vaak ook de kwantitatief belangrijkste manier van "afroepen" zal zijn). Namens [eiser] is bepleit dat alle "afroepen" op dezelfde voet moeten worden beoordeeld: de latente aanspraak op krediet wordt daardoor geactiveerd, en crediteuren mogen verlangen dat de aldus ontstane betalingsverplichting, nu die door derdenbeslag wordt getroffen, aan hen wordt voldaan/"afgegeven". ABN-AmRo c.s. verdedigen daarentegen dat de betalingsopdracht een aan (aanmerkelijke) beperkingen onderhevig recht in het leven roept - namelijk het recht om te verlangen dat de bank de concrete betalingsopdracht honoreert - en dat verhaalzoekende crediteuren geen ruimer recht geldend kunnen maken, dan er tot stand is gekomen(31).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d2a3c41861e830c339997d4fb7d408cfcdb9f8c165cfbaf84dc2bb6ba6f4d74e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d2a3c41861e830c339997d4fb7d408cfcdb9f8c165cfbaf84dc2bb6ba6f4d74e, en de alinea staat in dat document op bytes 49819 tot 50895.