Citaat | Parket bij de Hoge Raad 29 oktober 2004
Alinea 98 Parket bij de Hoge Raad 29 oktober 2004
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 29 oktober 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AP4504.
34. Met alle verschuldigde eerbied zou ik menen dat deze gedachtegang in twee opzichten op verkeerde uitgangspunten berust: ten eerste ziet de verwijzing naar de derde-beslagene kennelijk op het geval dat deze nadat beslag is gelegd, nog voorwaarden aan (betaling van) de door het beslag getroffen vordering wil toevoegen, ten nadele van de beslagleggende crediteur. Dat zou inderdaad ook naar Nederlandse opvatting ongeoorloofd zijn. Op voorwaarden die al van de aanvang af (en gewoonlijk dus al vóór het beslag) met de in beslag genomen vordering verbonden waren mag de derde-beslagene zich echter ongetwijfeld wèl beroepen - en het hier te onderzoeken geval hoort eerder thuis in die categorie, dan in de door het BGH beoogde.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d2a3c41861e830c339997d4fb7d408cfcdb9f8c165cfbaf84dc2bb6ba6f4d74e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d2a3c41861e830c339997d4fb7d408cfcdb9f8c165cfbaf84dc2bb6ba6f4d74e, en de alinea staat in dat document op bytes 51956 tot 52702.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/d2a3c41861e830c339997d4fb7d408cfcdb9f8c165cfbaf84dc2bb6ba6f4d74e | shasum -a 256