Citaat | Parket bij de Hoge Raad 17 december 2004
Alinea 39 Parket bij de Hoge Raad 17 december 2004
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 17 december 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AP5230.
2.11. In die context overweegt het Hof nog dat het niet van belang is dat bij het voortgezette onderzoek in 1997 extra informatie is verkregen, vooral over de inspanningen van D om Nederlandse subsidie voor de Noorse schepen te verkrijgen (r.o. 5.2.1.2., eerste volzin) en de afwezigheid van een betekenisvolle rol van onder andere BB bij de verwerving van de Noorse schepen (de slotzin van r.o. 5.2.1.2). Het Hof is van mening dat de inspecteur ook zonder die informatie een aanslag aan belanghebbende had kunnen opleggen (zie ook r.o. 5.2.1.1.). Deze informatie vormt mijns inziens echter een wezenlijke bouwsteen in de onderbouwing van 's Hofs oordeel dat sprake is van een bewijsvermoeden dat de vestigingsplaats van belanghebbende naar Nederland is verplaatst (zie r.o. 5.1.4.3. en r.o. 5.1.5.). Men kan zich afvragen of de inspecteur zonder te beschikken over de in onderdeel 2.4.16. genoemde notulen, die het Hof 'met name' van belang acht (maar niet vaststelt dat de inspecteur daarover beschikte(27)) en de hiervoor genoemde rol van BB bij de verwerving van de Noorse schepen c.a., over een zodanig sterk vermoeden beschikte dat hem een ernstig verwijt kan worden gemaakt dat hij niet is overgegaan tot het opleggen van een aanslag.(28) Het Hof lost die schijnbare onverenigbaarheid op door te overwegen dat de inspecteur met betrekking tot de subsidieverlening - na ontvangst van de antwoordbrief van 29 juli 1996 - over voldoende aanknopingspunten beschikte om desgewenst - tijdig - nader onderzoek in te stellen. Daaraan voegt het Hof toe dat de inspecteur daartoe ook nadrukkelijk door D was uitgenodigd zoals blijkt uit de slotzin van de zojuist genoemde brief (zie onderdeel 2.5.11. van de uitspraak van het Hof). Ik ben het in zoverre met het Hof eens dat de inspecteur gehouden is om een eenmaal ingesteld onderzoek binnen een redelijke termijn - en zo mogelijk binnen de aanslagtermijn van artikel 11, derde lid, AWR - af te ronden. De inspecteur moet daarbij ook voldoende zorgvuldigheid betrachten, zowel wat betreft de uitoefening van zijn taak als jegens belanghebbende. In dat kader plaats ik de overweging van het Hof waarin het belang van de eisen van rechtszekerheid die ten grondslag liggen aan de termijn van artikel 11 gelezen in verband met artikel 16, eerste lid, AWR, tot uitdrukking worden gebracht (zie de slotzin van r.o. 5.2.1.1.). De tijdige afronding van het onderzoek is echter ook afhankelijk van de mate van coöperatie - en openheid - die belanghebbende aan de dag legt.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d2290420be7d34f2a5d97d882259e3960fa8200ecc2fdb0143bb56e0a8ba288f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d2290420be7d34f2a5d97d882259e3960fa8200ecc2fdb0143bb56e0a8ba288f, en de alinea staat in dat document op bytes 27218 tot 29744.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/d2290420be7d34f2a5d97d882259e3960fa8200ecc2fdb0143bb56e0a8ba288f | shasum -a 256