Citaat | Parket bij de Hoge Raad 17 december 2004
Alinea 40 Parket bij de Hoge Raad 17 december 2004
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 17 december 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AP5230.
2.12. In de voorliggende zaak heeft de inspecteur de resultaten van het ingestelde onderzoek afgewacht alvorens een aanslag op te leggen (zie ook onderdeel 2.4. hiervoor). Op 7 mei 1997 heeft de inspecteur op het kantoor van D inzage genomen in, onder meer, notulen van de vergaderingen van aandeelhouders, directies en commissarissen, notulen van de vergaderingen van de directieraad en dossiers ter zake van de nieuwbouw van de schepen (zie onderdeel 2.5.14. van de uitspraak van het Hof). Het Hof is van mening dat dit nadere of voortgezette onderzoek niet tijdig is ingesteld of hernomen. Nog afgezien of die laatste constatering wel voldoende steun vindt in de vastgestelde feiten (uit de door het Hof vastgestelde feiten blijkt niet dat het onderzoek is stilgelegd en pas in mei 1997 is hernomen, zie onderdeel 2.5.13. van de uitspraak van het Hof)(29), vraag ik mij af of het Hof niet te zware eisen stelt aan de voortgang van het - beschreven - onderzoek en daarmee aan de informatie - over de subsidieverkrijging en de rol van BB bij verwerving van de Noorse schepen c.a. - die de inspecteur op het spoor behoorde te komen.(30) Het eind 1994 gestarte onderzoek betrof niet alleen een - complex - onderzoek naar de vestigingsplaats van een aantal naar buitenlands recht opgerichte vennootschappen. Onderzocht zijn ook een aantal andere onderwerpen (zie onderdeel 2.5.13. van de uitspraak van het Hof en blz. 6 van het beroepschrift in cassatie van de Staatssecretaris). In het licht van de in onderdeel 2.4. gememoreerde jurisprudentie en de eisen van de redelijkheid die artikel 16, eerste lid, AWR stelt, acht ik het in de voorliggende zaak ingestelde onderzoek, mede gelet op de omvang en complexiteit, binnen een redelijke termijn afgerond. In dat verband wijs ik erop dat de inspecteur op 21 november 1996 een bespreking met belanghebbende heeft gevoerd (ook over de rol van BB bij de verwerving c.a. van de Noorse schepen). Daarbij is die rol - zoals ik uit de stukken van het geding meen te kunnen afleiden (zie r.o. 5.1.5. genoemde brief van BB van 6 mei 2002) - echter niet duidelijk geworden. Dat kan de inspecteur niet ernstig verweten worden, omdat hij in beginsel op de juistheid van de beweringen van belanghebbende mag afgaan tot het tegendeel is gebleken. Ik breng daarbij de overweging van het Hof over de medewerking van belanghebbende in herinnering dat de - summiere - antwoorden van belanghebbende 'veeleer ontwijkend dan onjuist zijn' (zie r.o. 5.2.2.3.). Daarmee wil ik overigens niet zeggen dat belanghebbende terzake dan wel een (ernstig) verwijt is te maken (zie ook hierna over kwade trouw). Het boven water halen van relevante feiten is, zoals de praktijk uitwijst, in gevallen waarin partijen uitgaan van verschillende (pleitbare) denkkaders nu eenmaal soms een tijdrovend en moeizaam proces. De inspecteur heeft m.i. daarom geen ambtelijk verzuim begaan door binnen de aanslagtermijn geen aanslag op te leggen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d2290420be7d34f2a5d97d882259e3960fa8200ecc2fdb0143bb56e0a8ba288f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d2290420be7d34f2a5d97d882259e3960fa8200ecc2fdb0143bb56e0a8ba288f, en de alinea staat in dat document op bytes 29764 tot 32726.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/d2290420be7d34f2a5d97d882259e3960fa8200ecc2fdb0143bb56e0a8ba288f | shasum -a 256