Citaat | Parket bij de Hoge Raad 15 oktober 2004

Alinea 46 Parket bij de Hoge Raad 15 oktober 2004

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 15 oktober 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AP6783.

2.4. In het algemeen wordt in de literatuur aangenomen dat een dochtermaatschappij gedurende een fiscale eenheid niet objectief belastingplichtig is.(10) Het object van de dochtermaatschappij wordt gedurende het bestaan van de fiscale eenheid aan de moeder-maatschappij toegerekend. Verschil van opvatting bestaat echter over de subjectieve belastingplicht van een dochtermaatschappij. Verburg(11) geeft bijvoorbeeld de voorkeur aan een beschouwingswijze, die (meer) recht doet aan de verwantschap met de fusieregeling, zoals die is neergelegd in de zevende titel van boek 2 BW. Fiscaal gezien laat de dochtermaatschappij zich dan volgens hem op één lijn stellen met de verdwijnende en de moedermaatschappij met de verkrijgende vennootschap.(12) Door hem wordt dus verdedigd dat een dochtermaatschappij gedurende een fiscale eenheid niet subjectief belasting-plichtig is (waarmee hij zich schaart achter het in Duitsland ontwikkelde theoretische uitgangspunt van de zogenaamde Einheitstheorie(13)). Ook Heithuis(14) geeft aan dat de fictie van 'opgaan in' veel verder gaat dan het enkele

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/6128b7d4d31670af8de66072dec5c87e6da2f8be46b46fa5e9dd60e37f24dbb2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 6128b7d4d31670af8de66072dec5c87e6da2f8be46b46fa5e9dd60e37f24dbb2, en de alinea staat in dat document op bytes 16425 tot 17527.