Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 september 2004
Alinea 148 Parket bij de Hoge Raad 24 september 2004
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 september 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AP7760.
6 Vgl. HR 15 januari 1999, NJ 1999, 574 op de gronden vermeld in de conclusie van A-G Hartkamp (onder 15): waar het hof spreekt van opwekking van gerechtvaardigd vertrouwen is daarmee niet gedoeld op schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid als bedoeld in art. 3:61 BW, maar op schijn van wil als bedoeld in art. 3:35. Zie over de leer van de toerekenbare schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid als bedoeld in art. 3:61 lid 2 BW HR 26 september 2003, C02/024HR, RvdW 2003, 152 (rov. 4.5); JOR 2004, 32 m.nt. S.C.J.J. Kortmann en besproken door C.E. Drion en T.H.M. van Wechem, NJB 2004, p. 475 met verdere verwijzingen, en voorts o.m. HR 12 januari 2001, NJ 2001, 157. Zie uitvoerig de A-G Bakels in zijn conclusie vóór NJ 1999, 582 onder 2-3 en NJ 2002, 543 onder 2.3-2.7 met verwijzingen naar verdere rechtspraak en literatuur.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e4d2fba22d2173661a371e66dbb77db8b19de12153515cdc2c16961c572ea0f8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e4d2fba22d2173661a371e66dbb77db8b19de12153515cdc2c16961c572ea0f8, en de alinea staat in dat document op bytes 50866 tot 51714.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/e4d2fba22d2173661a371e66dbb77db8b19de12153515cdc2c16961c572ea0f8 | shasum -a 256