Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 november 2004

Alinea 56 Parket bij de Hoge Raad 9 november 2004

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 november 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AP8400.

22. Ten slotte bevat het middel twee klachten die ik tezamen neem. Er wordt over geklaagd dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat verzoeker en [medeverdachte 3] ervan op de hoogte waren dat de andere, in de bewezenverklaring genoemde, (rechts)personen tot het samenwerkingsverband rond [medeverdachte 2] behoorden, en uit de gebezigde bewijsmiddelen integendeel volgt dat verzoeker onkundig was van (het bestaan en het gebruik van) de rechtspersonen. Ook wordt erover geklaagd dat in 's Hofs overwegingen een passage is opgenomen die duidt op voorwaardelijk opzet, hetgeen onjuist is omdat de Hoge Raad voor strafbare deelneming aan een criminele organisatie verlangt dat de verdachte met onvoorwaardelijk opzet heeft gehandeld.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/042fed72984d6b496327c3032a44ccec63ca67b252f06e1b751f75ce9e693c30. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 042fed72984d6b496327c3032a44ccec63ca67b252f06e1b751f75ce9e693c30, en de alinea staat in dat document op bytes 28101 tot 28845.