Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 november 2004

Alinea 64 Parket bij de Hoge Raad 9 november 2004

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 november 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AP8400.

29. Naar mijn inzicht kan daarom geen bezwaar bestaan tegen 's Hofs vaststelling dat naar alle waarschijnlijkheid niet alle deelnemers aan de organisatie rond [medeverdachte 2] elkaar kenden. De daarop volgende zinsnede acht ik evenwel minder gelukkig geformuleerd. Het Hof is naar mijn inzicht te terughoudend geweest door in zijn overwegingen te betrekken dat bij de uitvoering van de (effecten)transacties en het doen van de betalingen andere (rechts)personen "betrokken moeten zijn geweest". De gebezigde bewijsmiddelen wijzen ondubbelzinnig uit dat andere (rechts)personen daarbij betrokken zijn geweest, en dat verzoeker dit moet hebben bemerkt. Blijkens zijn eigen, tot bewijs gebruikte, verklaring beschouwde verzoeker naast [medeverdachte 2] ook diens bedrijf [A] als klant. Ook ligt in de bewijsmiddelen besloten dat [medeverdachte 2] en diens medewerker [medeverdachte 4] voor winstgevende transacties gebruik maakten van de in Nederland gevestigde [G]. Voorts kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat [C] ([C]) Ltd en [G] betrokken zijn geweest bij de overmaking, in opdracht van [medeverdachte 2], van een geldbedrag naar een Zwitserse bankrekening van verzoeker (bewijsmiddelen 13 en 26 (Bijlage 1 bij de aanvulling als bedoeld in art. 365a Sv)).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/042fed72984d6b496327c3032a44ccec63ca67b252f06e1b751f75ce9e693c30. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 042fed72984d6b496327c3032a44ccec63ca67b252f06e1b751f75ce9e693c30, en de alinea staat in dat document op bytes 32895 tot 34173.