Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 november 2004

Alinea 65 Parket bij de Hoge Raad 9 november 2004

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 november 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AP8400.

30. Ik geef de stellers van het middel toe dat het Hof met de zo-even gecursiveerd weergegeven woorden een veronderstelling ingebouwd lijkt te hebben waar zekerheid geboden is. Ik geef hen eveneens toe dat dit onderdeel van 's Hofs overwegingen op het eerste gezicht niet goed te verenigen is met de tot de bewijsmiddelen behorende verklaring van verzoeker dat hij destijds niet wist dat [medeverdachte 2] zich van de rechtspersonen [B], [C] en [D] bediende. Een werkelijke tegenstrijdigheid tussen die verklaring en 's Hofs overweging doet zich naar mijn inzicht evenwel niet voor, aangezien uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verzoeker bekend moet zijn geweest met de betrokkenheid van andere (rechts)personen. Bovendien blijkt uit de bewijsmiddelen dat verzoekers (onvoorwaardelijk) opzet gericht was op de samenwerking met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]. Reeds daarom kan naar mijn oordeel niet worden gezegd dat de bewezenverklaring van deelneming aan een organisatie als bedoeld in art. 140, eerste lid, Sr van een onjuiste rechtsopvatting getuigt of, gelet op de gebezigde bewijsmiddelen, onbegrijpelijk is.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/042fed72984d6b496327c3032a44ccec63ca67b252f06e1b751f75ce9e693c30. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 042fed72984d6b496327c3032a44ccec63ca67b252f06e1b751f75ce9e693c30, en de alinea staat in dat document op bytes 34193 tot 35339.