Citaat | Parket bij de Hoge Raad 26 november 2004

Alinea 118 Parket bij de Hoge Raad 26 november 2004

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 26 november 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AP9665.

In een dergelijk geval van een middellijke vertegenwoordiging behoeft de lasthebber dus niet in de dagvaarding te vermelden dat hij optreedt voor de belangen van een andere (rechts)persoon/materiële partij(26). Voert de wederpartij als verweer dat de eisende partij niet de 'ware crediteur' is, dan zal de lasthebber (ter incasso) moeten stellen en bewijzen dat hij uit hoofde van een met de (werkelijke) schuldeiser/materiële partij gesloten lastgevingsovereenkomst bevoegd is diens vordering op eigen naam te incasseren(27).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bbe90bf617c22fd111a867544a5f0c286154d6691db777fbbcff9980e5ce094a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bbe90bf617c22fd111a867544a5f0c286154d6691db777fbbcff9980e5ce094a, en de alinea staat in dat document op bytes 37315 tot 37857.