Citaat | Parket bij de Hoge Raad 26 november 2004

Alinea 167 Parket bij de Hoge Raad 26 november 2004

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 26 november 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AP9665.

20 Ook zou ter behartiging van de belangen van een materiële procespartij de instantie kunnen worden voortgezet uit hoofde van zaakwaarneming (art. 6:198-202 BW). Deze mogelijkheid is evenwel niet onomstreden. Zie P.R. Smits, NJB 1962, p. 197-202; Burgerlijke Rechtsvordering (oud), Asser art. 1, aant. 4a (procesvoering bijwege van zaakwaarneming is "alleen mogelijk indien de zaakwaarnemer den gestus vóór het vonnis bekend maakt"; zie a.w., art. 1, aant. 4, blz. 10c). Zie ook G.J. Scholten in zijn noot onder HR 15 mei 1970, NJ 1970, 327. De Hoge Raad heeft zich nog niet uitgesproken (HR 8 december 1961, NJ 1962, 56).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bbe90bf617c22fd111a867544a5f0c286154d6691db777fbbcff9980e5ce094a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bbe90bf617c22fd111a867544a5f0c286154d6691db777fbbcff9980e5ce094a, en de alinea staat in dat document op bytes 49854 tot 50493.