Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 december 2004

Alinea 39 Parket bij de Hoge Raad 3 december 2004

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 december 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AQ8089.

12. Onderdeel 1 van het middel gaat uit van de veronderstelling dat 's hofs oordeel dat vaststaat dat [eiseres] wist dat de bewuste nota's met betrekking tot het horloge en de broche vals waren (r.o. 4.7) en dat daarmee voldoende vaststaat dat [eiseres] opzettelijk onjuiste gegevens heeft verstrekt (r.o. 4.8), berust op de opvatting van het hof dat aan de bewijslevering door de verzekeraar geen strenge eisen behoeven te worden gesteld. Deze opvatting is volgens het middel onjuist omdat, gezien de verregaande gevolgen, strenge eisen moeten worden gesteld aan de vaststelling dat de verzekerde welbewust valse nota's heeft ingediend (teneinde de verzekeraar tot een hogere uitkering te bewegen). Mocht het hof wel de juiste maatstaf hebben toegepast, dan is volgens het middelonderdeel 's hofs oordeel onvoldoende gemotiveerd, omdat het hof onvoldoende inzicht heeft gegeven in de door hem gevolgde gedachtengang.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c6fb8d2f1a98ca5df2d638dfd23b171a5d408a8a2de0dd31e0ddecdc24ee86ba. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c6fb8d2f1a98ca5df2d638dfd23b171a5d408a8a2de0dd31e0ddecdc24ee86ba, en de alinea staat in dat document op bytes 14747 tot 15677.