Citaat | Parket bij de Hoge Raad 10 december 2004

Alinea 23 Parket bij de Hoge Raad 10 december 2004

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 10 december 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AR0309.

5.5 Vast staat dat op 31 januari 1995 het bedrag van ƒ 20.923,24 van de rekening van [betrokkene 1] is afgeschreven en dat op 3 februari 1995 dit bedrag is bijgeschreven op de 'en/of'-girorekening van [betrokkene 2] en/of [verweerder]. Het dagafschrift van de bankrekening van [betrokkene 1] van 31 januari 1995 vermeldt dat op 31 januari 1995 genoemd bedrag is overgeschreven naar de girorekening van [betrokkene 2] (dat wil zeggen de 'en/of'-girorekening, productie 5 bij conclusie van repliek). [Verweerder] heeft gesteld (conclusie van dupliek onder 3), dat [eiseres] het desbetreffende rekeningafschrift van 31 januari 1995 heeft ontvangen en dat zij derhalve wist dat het geld was overgeschreven naar de 'en/of'-girorekening. [eiseres] heeft die stelling - ook in hoger beroep - niet gemotiveerd betwist, zodat daarvan moet worden uitgegaan. Bovendien heeft [eiseres] zelf in de inleidende dagvaarding (onder punt 3) gesteld dat zij ermee bekend was dat [verweerder] het bedrag bij de Regiobank had opgenomen en dat het geld terecht was gekomen op de girorekening van [betrokkene 2]. Hangende de procedure heeft [eiseres] haar stelling in die zin aangepast dat zij niet meer stelt dat [verweerder] het bedrag heeft opgenomen, doch zij heeft haar stelling dat zij wist dat het bedrag op de rekening van [betrokkene 2] terecht was gekomen kennelijk gehandhaafd. Op grond van het vorenstaande staat derhalve vast dat [eiseres] een of enkele dagen na 31 januari 1995 bekend is geworden met de overboeking en de persoon aan wie de overboeking is verricht. Indien zij het overgeboekte bedrag c.q. schadevergoeding (als erfgename van [betrokkene 1]) op grond van onrechtmatige daad, ongerechtvaardigde verrijking of onverschuldigde betaling wenste (terug) te vorderen, dan had zij dat - kort gezegd - binnen vijf jaar nadien moeten doen. Door dit na te laten - zij heeft haar vordering eerst bij brief van 19 september 2001 kenbaar gemaakt - is haar vordering jegens [verweerder] op die gronden, verjaard. Wat betreft de vordering uit onverschuldigde betaling tekent het hof hierbij aan, dat, anders dan [eiseres] heeft aangevoerd, van een betaling in de zin van de wettelijke regeling van onverschuldigde betaling (art. 6:203 lid 1 BW) niet slechts sprake is als de betaler zich realiseerde dat hij betaalde.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/73d3cdbebae388df2d2e25d2900fbb36cee78b40847866ca54bbe24fbe68179e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 73d3cdbebae388df2d2e25d2900fbb36cee78b40847866ca54bbe24fbe68179e, en de alinea staat in dat document op bytes 9287 tot 11609.