Citaat | Parket bij de Hoge Raad 10 december 2004

Alinea 34 Parket bij de Hoge Raad 10 december 2004

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 10 december 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AR0309.

9) Eerst de vordering uit onverschuldigde betaling. Ingevolge art. 3:309 BW verjaart een rechtsvordering uit onverschuldigde betaling door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser zowel met het bestaan van de vordering als met de persoon van de ontvanger is bekend geworden (en in ieder geval twintig jaren nadat de vordering is ontstaan, doch deze lange verjaringstermijn speelt in het onderhavige geval geen rol). Zie voor voorbeelden Parl. Gesch. Boek 3, p. 922. In HR 17 november 2000, NJ 2001, 580 m.nt. JH (Breezand/Gemeente Veere), r.o. 5.2.4, in welke zaak was betaald op grond van een overeenkomst die niet als rechtsgrond van de betaling kon gelden, oordeelde de Hoge Raad dat als dag waarop de schuldeiser met het bestaan van zijn vordering bekend is geworden had te gelden de dag waarop hij ermee bekend was geworden dat de betaling zonder rechtsgrond was verricht.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/73d3cdbebae388df2d2e25d2900fbb36cee78b40847866ca54bbe24fbe68179e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 73d3cdbebae388df2d2e25d2900fbb36cee78b40847866ca54bbe24fbe68179e, en de alinea staat in dat document op bytes 16967 tot 17904.