Citaat | Parket bij de Hoge Raad 10 december 2004

Alinea 41 Parket bij de Hoge Raad 10 december 2004

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 10 december 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AR0309.

11) Vervolgens de vordering uit onrechtmatige daad. Blijkens art. 3:310 lid 1 verjaart de vordering tot vergoeding van schade, voor zover hier relevant, door verloop van vijf jaar na de aanvang van de dag volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Men zie hierover vooral het uitvoerig gemotiveerde arrest HR 31 oktober 2003, RvdW 2003, 169, AA 2004, p. 266 m.nt. T. Hartlief (S-K/Dr.M), waarvan de beslissing is herhaald in HR 20 februari 2004, RvdW 2004, 37 (Meissner von Hohenmeiss/Bloemsma). In deze arresten heeft de Hoge Raad uitgemaakt dat de korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW, gelet op de strekking van deze bepaling, pas begint te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van deze schade in te stellen (r.o. 3.4). Voor beschouwingen over en naar aanleiding van het arrest van 2003 zie de noot van Hartlief in AA 2004, p. 266 e.v. en Smeehuijzen, WPNR 6572 (2004), p. 251 e.v.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/73d3cdbebae388df2d2e25d2900fbb36cee78b40847866ca54bbe24fbe68179e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 73d3cdbebae388df2d2e25d2900fbb36cee78b40847866ca54bbe24fbe68179e, en de alinea staat in dat document op bytes 22540 tot 23592.