Citaat | Parket bij de Hoge Raad 26 november 2004
Alinea 67 Parket bij de Hoge Raad 26 november 2004
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 26 november 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AR1739.
4.12 Tot het arrest Marbeth van Uitregt(13) was in het kader van vorderingen gebaseerd op het toenmalige art. 31 WVW een beroep op overmacht niet uitgesloten wanneer het ging om vorderingen van jeugdige slachtoffers. In sprekende gevallen was er mitsdien, in het licht van eerdere rechtspraak (het arrest Frank Holsteijn),(14) weinig grond voor de ouders om q.q. een vordering in te stellen voor door hun jeugdig kind als gevolg van een auto-ongeval opgelopen nadeel; de hypothetische benadeelde noem ik hierna K. In dergelijke gevallen was er, in een bepaalde optiek, (nog) geen aansprakelijke persoon, noch ook was er schade. Daaraan deed, zo zou men kunnen betogen, niet af dat het letsel bekend was en dat allicht ook de persoon die het teweeg had gebracht bekend was.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f3c1dae10b3f5ba39e9980eee9d2c12025fcd0f77a531e033f210a714422280f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f3c1dae10b3f5ba39e9980eee9d2c12025fcd0f77a531e033f210a714422280f, en de alinea staat in dat document op bytes 26355 tot 27140.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/f3c1dae10b3f5ba39e9980eee9d2c12025fcd0f77a531e033f210a714422280f | shasum -a 256