Citaat | Parket bij de Hoge Raad 26 oktober 2004

Alinea 68 Parket bij de Hoge Raad 26 oktober 2004

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 26 oktober 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AR2105.

8. In aanmerking genomen dat verdachte zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van meer dan drie maanden en er dus voor hem in hoger beroep als laatste feitelijke instantie een substantieel belang op het spel stond, heeft het Hof zich ten aanzien van het tijdstip waarop verdachte ter terechtzitting zou kunnen verschijnen niet mogen verlaten op verdachtes mededeling over dat tijdstip en had het Hof een zelfstandig onderzoek moeten doen naar hetgeen in het kader van de internationale rechtshulp mogelijk zou zijn alvorens verdachtes verzoek om aanhouding af te wijzen op grond van de overweging dat verdachte niet binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zou kunnen verschijnen.(3) Dat laatste staat in het licht van hetgeen in het kader van internationale rechtshulp mogelijk is immers allerminst vast. Ik wijs op het bepaalde in art. 11 ERV dat uitdrukkelijk in overbrenging van in het buitenland gedetineerden voorziet. Daarbij moet bedacht worden dat de Staat door ondertekening van het EVRM de verplichting op zich heeft genomen te zorgen dat het strafproces in overeenstemming met de voorschriften van het EVRM verloopt. Het Openbaar Ministerie had dus ter verwezenlijking van verdachtes aanwezigheidsrecht gebruik moeten maken van de mogelijkheden van kleine rechtshulp en nu het dat niet heeft gedaan had het Hof hem daartoe opdracht moeten geven.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f83fcd3651d6f1ed7a3c1bf86e4bb4ffbe163d05096aba2eb21713bb3c66c24a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f83fcd3651d6f1ed7a3c1bf86e4bb4ffbe163d05096aba2eb21713bb3c66c24a, en de alinea staat in dat document op bytes 20417 tot 21858.