Citaat | Parket bij de Hoge Raad 26 oktober 2004
Alinea 39 Parket bij de Hoge Raad 26 oktober 2004
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 26 oktober 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AR2190.
3.7. Ingeval de rechter die over de feiten oordeelt, het tenlastegelegde bewezen acht, is het - volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad - aan die rechter voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze beslissing inzake die selectie en waardering, die - behoudens bijzondere gevallen - geen motivering behoeft, kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Hetzelfde heeft te gelden in het tegenovergestelde geval dat de rechter op grond van de aan hem voorbehouden selectie en waardering van het bewijsmateriaal tot de slotsom komt dat vrijspraak moet volgen. Een nadere motivering van een vrijspraak maakt de gegeven beslissing dus niet onbegrijpelijk doordat het beschikbare bewijsmateriaal - al dan niet op grond van een andere uitleg van gegevens van feitelijke aard - een andere (bewijs)beslissing toelaat.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7e68058f373c02483c4ea27d9804f2ed30192606b16b50211b6744b4b384c0ba. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7e68058f373c02483c4ea27d9804f2ed30192606b16b50211b6744b4b384c0ba, en de alinea staat in dat document op bytes 16296 tot 17347.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/7e68058f373c02483c4ea27d9804f2ed30192606b16b50211b6744b4b384c0ba | shasum -a 256